Neefje Badrian uit Westerbork

Toen het neefje van Gerhard Badrian op zijn onderduikadres werd opgepakt, zette Badrian alles op alles. Met de hulp van de Herta Caan begon een riskante reddingsoperatie om de jongen uit de greep van kamp Westerbork te bevrijden.

 

Oude Schans

Het hart van hun operatie lag aan de Oude Schans 74 in Amsterdam. Hier hield de Joodse Raad kantoor onder de wrange naam ‘Hulp aan Vertrekkenden’.[i] Officieel was de afdeling verantwoordelijk voor de logistiek van het kamp: het sorteren van tweedehands kleding en het bevoorraden van de klinieken. De leiding was in handen van Carl Blüth, een man die balanceerde op een zijden draad tussen plicht en verzet. Hoewel hij formeel de logistiek beheerde, was hij een schakel tussen de Amsterdamse Joodse Raad en de Duitse autoriteiten in Westerbork. Hij speelde een gevaarlijk spel; door papieren te manipuleren, wist hij velen van de dodelijke transportlijsten te schrappen. Dankzij zijn contacten met de SS kon hij het kamp wekelijks bezoeken.

Badrian, die Blüth kende, loodste Herta Caan naar binnen op dit kantoor. In de schaduw van hun officiële werk smeedden zij een pact: in haar fotostudio vervalsten zij aan de lopende band persoonsbewijzen. De felbegeerde ‘Sperr’ op hun eigen papieren bood hen op dat moment nog bescherming tegen de razzia’s die de stad leegvraten.

Maar in september 1943 viel het doek. De Joodse Raad werd ontbonden en de laatste medewerkers, onder wie Herta en Blüth, werden zelf naar Westerbork gedeporteerd. Zelfs achter prikkeldraad hielden zij stand. Blüth werd hoofd inkoop van kleding, een rol die hem de zeldzame vrijheid gaf om de kamppoorten te passeren. Via hem bereikte een dringende boodschap van Badrian de opgesloten Herta: de kleine Horst moest eruit. De datum en het tijdstip stonden vast. 

 

De ontsnapping

“Een week later kwam het bericht: een vrachtwagen met groenten zou bij de keuken lossen,” herinnerde Herta zich later. “Dat was het moment.” Ze vond de jongen in het weeshuis. Zijn ogen lichtten op toen hij haar zag: “Ik wist dat mijn oom mij zou helpen.”[vi]

De ontsnapping was een zenuwslopend schaakspel. Herta instrueerde Horst om koorts en ziekte te veinzen; ze gokte op de panische angst van de kampleiding voor epidemieën. Terwijl de bewakers argwanend toekeken, liep Herta met het ‘zieke’ kind richting het hospitaal. In de chaos bij de kampsingel, uit het zicht van de wachttorens, droeg ze hem bliksemsnel over aan vrachtwagenchauffeur Henri van Gogh. Horst kroop diep weg in een wasmand, verborgen tussen de vuile was en de angst, terwijl de vrachtwagen de poort naderde.

Toen de avond viel over Westerbork, was er groot alarm. Het weeshuis was leeg; de jongen was spoorloos. “Mensen wisten dat ik bij hem was geweest. DIk werd ondervraagd, maar ik hield stand.”

De vrijheid lonkte ook voor haar. Badrian had haar beloofd: “Na de jongen ben jij aan de beurt.” Maar het lot was wreed. Kort na de geslaagde redding van zijn neefje werd de verzetsheld gedood. Herta bleef achter in het kamp, de echo van zijn belofte als haar enige houvast.[x]

 

 

[ii] Vermoedelijk op transport. Raymond Schütz, universiteit Leiden, 2011

[x] Een gat in het prikkeldraad. Kamp Westerbork- ontsnappingen en verzet. Westerbork Cahiers 10 2003 blz55


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.